Over leven

9. De mens is een plant is een dier

Vergeet het godlovende gezwam van sommige religieuze leiders van deze wereld over Adam en Eva, hun paradijs en de 7 daagse schepping van de mens; god heeft nooit bestaan, hij heeft dus nooit mensen kunnen scheppen. Als je verstandig bent, ga je mee met serieuze onderzoekers, die hebben kunnen vaststellen dat uit dode materie spontaan leven kan ontstaan. Dat schijnt te gebeuren aan de overgang tussen water en land en als alle omstandigheden, voornamelijk die van vocht en temperatuur, gunstig zijn. Er zijn in Afrika sporen van eencelligen gevonden en wij hebben afgesproken dat die miljarden jaren oud zijn en aan de basis van het leven op aarde hebben gestaan.

Ik hecht doorgaans niet veel waarde aan wat wetenschappers en onderzoekers ontdekken en bedenken. Zij zijn namelijk net zulke mensen als jij en ik, niet meer en zelfs eerder minder, omdat zij een frenetieke drift hebben tot focus op één onderwerp. Die fixatie maakt ze uiterst kwetsbaar. Vaak hebben ze te weinig oog voor de veelheid en complexiteit van zaken die in een bepaalde mate invloed hebben op de resultaten van hun onderzoek. Dat ik in dit verhaal over de evolutie de denkbeelden van sommige wetenschappers volg, mag je niet zien als een knieval, maar als de logische acceptatie van het feit dat uit dode materie leven kan ontstaan.

Wat de mens nog niet heeft ontdekt, is welke ontwikkeling die eenlingen precies hebben doorgemaakt. Komen we waarschijnlijk ook nooit achter; het is te lang geleden en geen enkele eencellige was vooruitziend genoeg om een dagboek bij te houden. In theorie zou zo’n dagboek in de toekomst nog ergens kunnen opduiken, maar dan blijft het de vraag of wij het schrift zullen kunnen ontcijferen. Lijkt me op zich trouwens ingewikkeld om als eencellige een dagboek te schrijven, maar dat heeft zonder twijfel te maken met mijn fantasie. Die is uiteraard beperkt, hoewel gelukkig groot genoeg voor een eigen theorie.

Eenling wordt plant
De eencelligen werden in de loop der tijd meercelligen, door autonome celdeling en omdat ze klef op elkaar gingen liggen en nooit meer los kwamen. Dat kleffe moet je herkennen, dat hebben mensen ook. Op die manier ontstonden er celverbanden, die aan alle kanten doorgroeiden, tot zelfs in de grond. Vandaag spreken we van ‘plant’ voor deze soort. Sommige exemplaren ontwikkelden een afwijkende bovenkant; daar woekerden de cellen, kon je duidelijk zien, en ze klonterden samen tot mooie bollen. Andere exemplaren groeiden tot in de hemel.

Op enig moment in de miljoenen jaren van celopbouw stagneerde echter de groei. Werden ze topzwaar, was de lust tot vermenigvuldiging misschien verminderd of had het iets met het klimaat te maken? We weten het allemaal niet. Voor de bollen aan de bovenkant bedachten we wel een eigen naam: bloemen. Voor de ondergrondse wildgroei: wortels. En voor de hemelbestormers: bomen.

Zo is de eencellige in miljoenen jaren uitgegroeid tot Planta robusta, rubuuste plant, met wortels, stelen, stammen en bloemen. Hij ontwikkelde slimme cellen, die hem in staat stelden te denken en zich te openen en te sluiten en zich geregeld te verversen, als bescherming tegen aanvallen van wind, regen en koude.

De plant wordt een dier
In de vele honderdduizenden jaren erna zag je dat sommige Planta’s opvallende dubbele wortels kregen, min of meer gelijk van vorm, en bladeren in een vorm waarin wij vandaag de dag vingers herkennen. Heel geleidelijk groeide deze variant uit tot een verschijning met autonoom bewegende leden. Ook de vingerbladeren begonnen zich te ontwikkelen; de aanvankelijk dunne bladvingers kregen meer en meer volume. Het lollige gevolg was dat de plant na verloop van tijd al zijn ledematen onafhankelijk van elkaar kon laten bewegen. We bedachten ‘poten’ en ‘vingers’.

Wat we bij de plant bloem hadden genoemd, werd een merkwaardig uitziende bol met gaten. Daarin kwam ruimte voor nieuwe groeisels en nieuwe slimme cellen. Ook vielen er gaten in die bol, waarin afwijkende vormen ontstonden, die opmerkelijke kenmerken ontwikkelden.

Dit type kon je met goed fatsoen geen plant meer noemen. Het specimen als geheel noemden onze voorouders ‘dier’; gebruiken wij nog steeds. Andere nieuwe namen: ogen, oren, neus, lippen, tong. Het resultaat van die evolutie is de Animale robustus, het robuuste dier.

Chim leert al doende
Weer miljoenen jaren later groeide er een dier dat zich op vier poten, twee voor en twee achter, snel uit de voeten kon maken. Handig, vooral als het eten moest bemachtigen of kilometers wilde maken. Andere viervoeters leefden meer op hun gemakkie; zij zagen geen heil in dat jachtige gedoe. Dit type ervoer lopen op twee poten als aangenaam ontspannen. Je kon meer genieten van de fraaie vergezichten en je had een beter zicht op verraderlijke obstakels op de route. Aantrekkelijk neveneffect: je had je voorpoten vrij om iets mee te nemen, een knabbeltje voor onderweg.

Wat de tweevoeter ook ervoer, was dat hij met zijn nog steeds gebogen bovenlijf en spullen in zijn voorpoten bij lange wandelingen hevige last van zijn rug kreeg. Probeer zelf maar eens; buig je bovenlichaam naar voren, probeer het horizontaal te krijgen, verder, nog iets verder… je voelt de spanning in je rug en je kunt de neiging om te gaan lopen uiteindelijk niet weerstaan, je gaat. Hoe verder je onder het lopen naar voren buigt, hoe meer je je pas versnelt; je wilt als het ware je benen weer onder je romp krijgen. Zo leerde tweevoeter al doende dat verticaal lopen in sommige situaties de betere houding was.

Laat ik dit type dier voor het gemak ‘Chim’ noemen (spreek uit ‘tsjim’). Aanvankelijk vonden zijn soortgenoten hem een lelijke aansteller, tot ze merkten dat er veel viel te zeggen voor deze nieuwe manier van voortbewegen; Chim kreeg volgelingen, de eerste na-apers. Tot op de dag van vandaag is hij de enige echte uitvinder van het rechtop lopen. Als eerbetoon kreeg hij een nieuwe naam: chimpansee. Hij groeide uit tot een dier dat erg op ons lijkt, een Homo robustus, robuuste mens.

Door ondervinding en interactie had Chim dus ontdekt, dat hij beter in evenwicht was en veel relaxter liep, als hij zijn rug rechtte en gewoon rechtop op zijn achterpoten ging staan. Dat wijst op gezonde nieuwsgierigheid en die zorgde voor een ondernemende levenswijze. Na een paar miljoen jaar wist de creatieve en inventieve Chim eigenlijk niet beter dan dat het altijd zo was geweest. Zijn voorouders vond hij zielepoten. Hij zag ze nog nauwelijks staan en ontwikkelde meer en meer de fysiologie van wat wij op heden bestempelen als de Homo erectus, de mensaap.

Het dier wordt mens
Op het eerste oog kon je niet goed zien wat de ongebreidelde aanwas aan cellen tot gevolg had. Wel kon je constateren dat de mensapen ogenschijnlijk veel uitbundiger leefden en nieuwsgieriger waren dan de dieren waaruit zij zich hadden ontwikkeld. Wat je ook kon zien, was dat ze neukten als konijnen om meer van dezelfde soort te fokken en daardoor meer macht en overwicht op de rest van de levende have te krijgen.

5 Miljoen jaar later, vergeef mij een paar honderd duizend jaar, bleken de mensapen behoorlijk goed op eigen benen te kunnen staan en flinke einden rechtop te kunnen lopen. Waar hun honkvaste voorgangers veelal hun leven lang in de buurt van hun geboorteplek bleven, gingen ze vaker en verder van huis. Ze durfden meer en hadden veel bijgeleerd van wat in hun nieuwe leven goed van pas kwam. Het aantal slimme cellen was enorm gegroeid en hun schedel had zich aan de groei aangepast. Ongeveer 100.000 jaar geleden had de Homo erectus zoveel neuronen in de hersenpan dat we hem Homo sapiens zijn gaan noemen. Hij was van aap geworden tot mens.

Waarmee ik bewezen acht, dat de mens niet veel meer is dan een uit de kluiten gewassen plant of een over het paard getild dier. Een belangwekkende conclusie en volop reden tot bescheidenheid ten aanzien van onze positie in de natuur.

Land splitst zich in continenten
Alleszins aannemelijk is dat het land op onze planeet ongeveer op dezelfde manier is ontstaan. Op de bodem van de zee, op de aardkorst, groeiden eencelligen uit tot planten en dieren, zodanig overdadig (warme golfstroom?), dat ze uiteindelijk boven het zee-oppervlak uit kwamen. Daar hebben ze dik 4 miljard jaar over gedaan, tijd zat zou ik zeggen. Niet alleen om boven water te komen, maar ook om een flinke basis te bouwen voor het boven-water leven. Met sedimenten van alle levende have ontstonden er zandvlakten, weilanden en zelfs bergen. Medemensen van andere bewoonde planeten uit de ruimte waren via hun telescopen getuige van deze verbijsterende evolutie van onze planeet. Zij zagen een almaar groeiend en uiteindelijk gigantisch oppervlak aan land, een soort übercontinent.

Op wereldkaarten en satellietfoto’s kun je zien hoe de huidige continenten misschien ooit uit dat übercontinent zijn ontstaan. De zee geeft en de zee neemt, nietwaar. Geef je fantasie de sporen, dan zie je dat de Amerika’s en Canada ooit vast hebben kunnen zitten aan Europa en Afrika. Dat Indonesië ooit verbrokkeld uit de oksel tussen India en Maleisië kan zijn geschoven. En dat Australië ooit gekoppeld heeft kunnen zitten aan Afrika, Saoedi Arabië en de westkust van India.

Wat er is gebeurd in de zee tussen de Amerika’s en China is een groot vraagteken. Er was nog geen sprake van vervuiling als gevolg van de plastic soep. Weggezonken? Atlantis? Staan er nog steden en dorpen in het binnenste van de aarde? Of is het altijd al water geweest en was plantengroei in dat gebied eenvoudigweg minder succesvol? Joost mag het weten; ik beschrijf hier zeer omvangrijke natuurlijke processen, waar wij als mensen alleen maar vol verbazing naar kunnen kijken.

Waar of onwaar?
Wat ik als theorie heb beschreven, is even waar als onwaar. Het is even waarschijnlijk of onwaarschijnlijk als alle andere theorieën. Honderd procent waarheid en zekerheid zal er nooit bestaan. Wat je bedenkt of concludeert, is nooit meer dan een momentane weerslag van jouw beeld van de werkelijkheid. Gevoed door angst voor het ongerijmde of een prangende behoefte aan een baas boven baas. Wat je vandaag beweert of gelooft, moet je misschien morgen alweer bijstellen.

Er bestaat geen andere universele waarheid dan die van de aanwijsbare feiten. Wij denken dat er daarvan heel veel zijn, maar neem van mij aan dat ze meestentijds, zoals ik al schreef, zijn bedacht door mensen als jij en ik. Derhalve van discutabel allooi. Ik raad aan: denk zelf, slik niets voor zoete koek.