Over leven

7. Eduard Rijnja? Nooit van gehoord.

Het is half maart 1940. Je kunt goed merken dat de winter nog niet voorbij is. Piet en Lies, zoals meestal in deze maanden, dat het in de avond en nacht nog behoorlijk koud kan zijn, verhuizen tegen tienen naar de slaapkamer. De krant is gelezen, het verstelwerk gedaan, het bed lonkt. Daar kun je het knus maken en warm, zeker als je tegen elkaar aan kruipt.

Ze liggen nog niet tussen de gesteven witte lakens onder de zware schapenwollen dekens of Piet schuift richting Lies, vlijt zich lepeltje lepeltje tegen haar aan en krijgt een stijve. Hè lekker, denkt hij. Praten is niet zijn sterkste kant. Door de gulp van zijn pyjamabroek bevrijdt hij zijn jongeheer en beweegt hem naar de plek waar hij weet dat er altijd plaats is, in de driehoek hoog bovenin Lies’ dijen, strak tegen haar vagina. Ze schrikt er niet van op, ze wist om negen uur al hoe laat het was. Piet zat van tijd tot tijd over de krant tersluiks naar haar te loeren en tijdens het verzitten trok hij steels zijn broek naar voren om meer ruimte in het kruis te krijgen.

Na ongeveer tien minuten, ze zijn inmiddels opgewarmd en Piets erectie heeft een nagenoeg massieve vorm aangenomen, draait ze zich op haar rug, trekt haar nachtpon omhoog en haar onderbroek uit. Hitsig als hij is ze niet, maar voldoende vochtig is ze bij voortduring; altijd klaar om spuitgast te ontvangen. Terwijl ze haar benen spreidt, voelt ze haar hemelse poort kleverig open gaan. Engelen jubelen, piet is in aantocht.

Hij laat er geen gras over groeien, tilt zijn romp omhoog, schuift over Lies heen en laat zijn onderlichaam tussen haar benen zakken. Snel schikt zij de lakens en dekens over zijn rug, maar daar kan hij niet op wachten. Hij legt de jongeheer tussen haar schaamlippen en schuift hem naar binnen. Lans vindt zijn schede als de gesmeerde bliksem. Vertrouwde fluwelen warmte, Piet is weer thuis. Lies houdt er wel van; wie zijn benen spreidt, spreidt gezelligheid, en dat is ze, gezellig.

Piet is een verre van gewelddadig neuker. Met vrouwen is hij trouwens altijd opvallend zachtaardig en liefdevol. Hij aanbidt zijn Liesje, dus hij stoomt, als zo vaak in hun bijna 21-jarig huwelijk, langzaam en zorgvuldig op. Hij is al 46, zijn atletisch vermogen is een stuk minder dan toen ze 20 jaar geleden hun eerste kind produceerden en over 16 jaar krijgt hij zijn eerste hartverlamming. Pas bij de laatste acht op-en-neers kun je van meedogenloos stoten spreken. Ootmoedige liefde maakt plaats voor keihard spuiten. Miljoenen zaadcellen stuiteren Lies’ buik en baarmoeder binnen. Tot een van hen een kant-en-klare eicel vindt…

Een goddelijk moment is aangebroken. Alle drie klaar, Piet, Lies en Eddy. Halleluja, de engelen jubelen niet langer, ze juichen. Mijn leven is begonnen.

Gelukzaligheid
De uitbraak van de Tweede Wereldoorlog zal pas over een dikke maand plaatsvinden, maar voor mij voelt het als een bevrijding. Ik was er met mijn hoofd nog niet bij, maar ben ervan overtuigd dat ik in gelukzaligheid bent gemaakt; wie als positivo op aarde staat, moet als positivo zijn verwekt. Het zou me niet verbazen als een volle maan het goddelijk moment heeft verlicht.

Het verblijf in Lies’ buik bevalt goed. Zonder noemenswaardige verstoring kom ik door de zwangerschap. De oorlog breekt uit, dat wel. Mijn oudste broer moet vechten en wordt gedeporteerd, hetgeen angst en onzekerheid brengt, die Lies aan mij overdraagt. Ze is gelukkig positief van aard, ze gaat er van uit dat alles uiteindelijk goed zal komen. Blijvende emotionele schade ondervind ik er dan ook niet van.

Het is laat zaterdagavond, 7 december, als ik mijn eerste besluit neem; lang genoeg met vruchtwater gespoeld, zin in lucht. Lies zit met vrienden te kaarten en voelt dat ik in actie kom. Ze maakt het laatste spel af, wint en verhuist naar de slaapkamer, de plek waar 9 maanden eerder mijn leven begon. Ze spreidt haar benen, opent haar geboortekanaal en laat me moeiteloos gaan. Ik ben haar twaalfde, dus ze heeft een soort handigheid in baren. Het is zes voor half een als ik de gesteven lakens voel, inmiddels niet meer spierwit, maar bloedrood. De zaterdag is overgegaan in zondag. Ik ben een zondagskind.

De maagd, de pastoor en de zelfmoord
Ik begin mijn aardse bestaan op de gedenkdag van de onbevlekte ontvangenis van de Heilige Maagd Maria. De katholieke leer bedoelt hiermee de dag dat Maria in het begin van onze jaartelling te horen krijgt, dat ze zwanger is van Jezus Christus. Lachen, zwanger worden zonder neuken. Gelooft natuurlijk geen hond. Maar oké, we noemen het niet voor niets ‘geloof’.

Om te leven hoef je niks te weten. Ik doe mij de eerste maanden volautomatisch te goed aan de boordevolle borsten van Lies. Als ik mijn ogen sluit, zie ik ze nog voor me. Geen hangers maar staanders, fors bemeten, gulle tepels. Met haar melk klok ik tevens haar opgewekte inslag naar binnen; van een opgewekt jochie is het moeilijk om niet te houden. Over gebrek aan aandacht heb ik die eerste jaren dan ook geen klagen.

Als ik 7 ben, Hemelvaartsdag 1948, weer zo’n heilige dag, doe ik mijn Eerste Heilige Communie. Ik heb nog het bidprentje, in de roomse kerk een gebruikelijke uitgave op heuglijke momenten.

In mijn dertiende levensjaar, op zondag 19 april 1953, 12 jaar oud, hernieuw ik mijn doopbeloften. Ik heb dan al besloten om pastoor te worden van een plattelandsparochie met een boomgaard, een moestuin, een rijk gevulde wijnkelder, alle flessen gekregen van parochianen die een wit voetje willen halen bij God en bij mij, teneinde hoger in de hemel te komen en te vermijden dat ik in het openbaar uit de school klap over wat ze me in de biecht hebben toevertrouwd. Ik heb ook de onverdeelde beschikking over een bloedmooie huishoudster met veel hout voor de deur, die zonder morren mijn opdrachten uitvoert en al mijn heilige wensen vervult, van eten en drinken tot aan spierwitte, gesteven lakens en al wat daarbij komt kijken.

Mijn lichtend voorbeeld is een heeroom, pastoor van een kerk in Egmond Binnen. Hij schrijft in het schitterende missaal dat hij me geeft: ‘Moge God, onze Vader, in je bevestigen, wat Hij in je begonnen is.’ Beetje vreemde zin; als God al iets in mij is begonnen, is het een beetje dubbel op om dat nog eens te bevestigen. Ik denk dat hij ‘bestendigen’ bedoelt. Voor heeroom hoop ik dat God bestaat, dan is hij nu onder de pannen.

Wat heeroom niet weet, is dat ik betrekkelijk snel nadien serieus begin te twijfelen aan het bestaan van die God van hem. Meer en meer raak ik er van overtuigd dat ik mijn eigen god ben. In die fase van onduidelijkheid over het bestaan, het wegvallen van een goddelijk houvast en de onzekerheid over de weg die ik moet gaan, overvalt mij ledigheid. Ik zak van de hemel in het vagevuur, het voorportaal van de hel.

Teruggeworpen op mezelf begin ik te denken, dat zelfmoord voor mij een interessante optie zou kunnen zijn. Het is sowieso onverantwoord dat de mensheid ongebreideld door blijft fokken en kinderen zet op een aarde waar van alles mis is. Nu God voor mij niet meer bestaat, mijn oude vader en moeder me niet meer begrijpen, ik een haatverhouding heb met mijn wiskundeleraar, een nerd die van de zenuwen voor de klas met trillende handen zijn lesboek staat op te vreten (afspraak: als hij de klas binnen komt en ik lach naar hem, stuurt hij me weg; dat hebben we twee jaar volgehouden) en ik uiteindelijk van school word gestuurd, beland ik in nihilisme. Ik geloof nergens meer in, zie geen weg vooruit. Waartoe zijn wij op aarde? ‘Om God te dienen en daardoor hier en in het hiernamaals gelukkig te zijn’, schrijft de katholieke catechismus. Aan mijn hoela, iemand dienen die niet bestaat. Je kunt alleen jezelf dienen.

Na verloop van tijd raak ik uit de depressie. Ik kom te verkeren in kringen van kunstenaars en denkers. Ik lees veel leerzame boeken. Ze brengen me bij mijn eerste vorm van zelfbewustzijn. Uiteindelijk concludeer ik dat de mensheid juist heel veel kinderen op de wereld moet zetten, omdat nieuwe mensen nodig zijn om innovatieve oplossingen te bedenken voor de problemen die mijn voorvaderen en ik hebben veroorzaakt. En kinderen van mijn arrogante zondagszaad zullen vast intelligent zijn en een positieve bijdrage aan de aarde leveren.

Het einde van de gedachte aan zelfmoord krijg ik op een bijzondere manier toegespeeld. Ik doe vakantiewerk in een fabriek met een jongen, die me op enig moment vertelt, dat hij zelfmoord gaat plegen, als zijn vriendin hem als geliefde afwijst. Aldus geschiedt. Ze wijst hem af, hij neemt een ogenschijnlijk fatale dosis pillen. Hij wordt echter gered door ouders en doktoren. Belooft beterschap. Keert terug op het werk. We praten er veel over. Hij is ervan doordrongen dat het geen juiste beslissing was. Na een paar weken verschijnt hij plots niet meer op het werk. Hij is dood. Wekenlang heeft hij zich elke dag met pillen een beetje vergiftigd. Daarna was er geen redden meer aan, zijn lichaam was naar de knoppen. Hij had me besodemieterd, ik vond hem een leugenaar en een zielenpoot.

Genezen van mijn behoefte aan een einde kon ik verder met mijn leven. Mijn tweede.

Ik blijf benieuwd.
Op mijn veertiende jat ik een boek. De boekhandelaar vertelde mijn moeder dat ik zo’n serieuze jongen was; had ze goed gezien, ik koos mijn boeken altijd zorgvuldig. Als je zonder geld een boek nodig hebt, moet je het jatten, vond ik. Na de volgende besefte ik mijn ongelijk. Op mijn achttiende sla ik over de kop met een auto waarin ik niet mocht rijden. Mijn foto’s, en profil en en face, inclusief nummers, komen in het criminelen foto-archief en ik word veroordeeld voor joyriding. Vele jaren later moet mijn zus aan de hand van foto’s een inbreker proberen te herkennen. Ik sta er nog tussen.

Nadat ik op mijn zestiende smoorverliefd ben geworden op een angstaanjagend mooi meisje, dat ik in totale adoratie niet eens durf aan te raken, laat staan te zoenen, word ik op mijn twee en twintigste tot in het puntje van mijn eikel verliefd op een stoot van 31. Ik laat mijn voorhuid verwijderen, omdat ik daar tijdens de dagelijkse beurten te veel last van krijg. De relatie houdt geen stand; Greta is bang voor haar gewelddadige echtgenoot. Op mijn vierentwintigste koop ik mijn eerste Porsche, 10 jaar later trouw ik mijn eerste vrouw.

Als ik 32 ben, word ik de volgende generatie; Piet krijgt zijn tweede hartverlamming en gaat eraan dood. Terwijl hij ligt te sterven, ontstaat in mijn hoofd een gedicht. Ik mag niet naar hem toe, bepaalt mijn broer. Nooit ben ik meer dronken geweest dan in de nacht voor zijn begrafenis. Nooit ben ik kwader geweest, als tijdens de condoleantie mensen staan te lachen en vrolijk te praten. Hufters, zien jullie niet dat mijn vader is doodgegaan?!

Op mijn zesendertigste trouw ik een gevoelsmens, Rietje Stam, van wie ik leer wat gevoel is, en daarvoor niet bang hoef te zijn. Het wordt de nieuwe definitieve leidraad in mijn bestaan. De relatie met haar vertegenwoordigt de start van mijn derde leven. Negen jaar later volg ik mijn gevoel en begin een tijdschrift-uitgeverij, die ik 20 jaar later verkoop.

Mijn leven bestaat uit het vinden van een evenwicht tussen wat mij overkomt en mijn (vaak belachelijk overdadig) plichtsbesef, een restje Piet. Het zoeken en vinden is niet altijd gemakkelijk, kan ik melden. Maar het is van wezenlijk belang om te kunnen ontdekken wie je bent. Want daartoe zijn wij op aarde.

In 2009 besluit ik op te schrijven wat ik heb geleerd. Hoe dat zo kwam, lees je in ‘Zelfbevlekking‘.

En nu? Toen ik achttien was, zag ik dat de meeste mensen op hun 40ste morsdood zijn, terwijl ze nog rondliepen en zich gedroegen alsof ze ertoe deden. Ik ben pas een beetje los gegaan, nadat ik dat punt had gepasseerd. En straks? Ik heb nog het een en ander over mezelf uit te vinden voor ik de pijp uitga. Niets veranderlijker dan een mens, luidt het spreekwoord. Klopt, tot het moment dat je jezelf hebt leren kennen.

Ik blijf benieuwd. Jij ook?